Op tijd erbij zijn in een liefdevolle relatie

Op tijd erbij zijn in een liefdevolle relatie

Veel relaties zijn een weerspiegeling van wat we vroeger geleerd hebben. Dat brengt veel moois met zich mee. Sommige geliefden blijven hun leven lang gelukkig en zijn zo op elkaar ingespeeld dat beide partners tot hun recht komen. Bij anderen ontstaat wrijving, omdat de oude manier niet langer dient. Voor hen breekt een krachtig moment aan: ontdekken hoe diep liefde kan reiken als ze voorbijgaat aan conditioneringen. Dat vraagt om op tijd erbij te zijn.

Wat we vroeger leerden

Als kind leerden we veel over wie we zijn in relatie tot anderen. Al vroeg zorgden we dat de ander het goed had, kwamen we voor onszelf op, bewaarden we de harmonie, waren we volgzaam, lieten we van ons horen of trokken we ons terug als het spannend werd. Allemaal conditioneringen waardoor we aan de ene kant erbij mochten horen en aan de andere kant onszelf mochten zijn. Een dans tussen verbondenheid en autonomie. Een dans die bijna nooit in balans is, omdat verbondenheid en autonomie vroeg of laat botsen. Soms had je als kind behoefte aan de nabijheid van een ouder, maar die was er niet. Soms wilde je de wereld in, maar een bezorgde ouder hield je tegen.

Je leerde omgaan met hoe het was. Je deed je best om gezien te worden, verbinding en veiligheid te ervaren en erbij te horen. En je bleef zoveel mogelijk weg bij gevoelens van afwijzing, teleurstelling, onbegrip en eenzaamheid.

Als je nagaat hoe jij het vroeger leerde, herken je waarschijnlijk veel van hoe het nu nog is. Je doet nog steeds je best om jezelf te zijn en tegelijk de verbondenheid in de relatie in stand te houden. Dat kost moeite, en je blijft er afhankelijk van de ander voor. Als kind was dat ook echt zo: je was aangewezen op volwassenen die jou het vertrouwen gaven dat je geliefd en waardevol was. Als volwassene gelukkig niet meer. Maar de meesten van ons hebben dat niet geleerd en leven nog steeds kinderlijke behoeften uit op anderen. Vroeg of laat kan de ander dat niet meer waarmaken. Dat kan een pijnlijk besef zijn. En een krachtige opening.

Als het niet meer vanzelf gaat

Als het niet meer vanzelf goed gaat, bedekken we dat met de mantel der liefde. Irritaties, teleurstellingen en gevoelens van afwijzing komen op. Eerst brengen we er nog een paar keer iets over ter sprake. Maar als een bevredigende reactie uitblijft, zoeken we uitwegen om onze gevoelens en de harmonie weer tot rust te brengen. Pleasen, concessies doen, terugtrekken, verdoven. Daarmee wordt niets opgelost en raakt de liefde uit beeld. Onverwerkte ervaringen stapelen zich op als op een rommelzolder waar je uiteindelijk niet meer weet wat er ligt. Het lichaam is die zolder waar alles opgeslagen ligt. Er is steeds minder ruimte, tot een zucht van de ander genoeg is om de boel te laten exploderen.

Ik zag onlangs bij een stel hoe dat kan uitpakken. Na een periode van proberen elkaar te vinden, elkaar te ontlopen en weer te verzachten was het klaar. Over en weer werden verwijten gemaakt en in korte tijd voelde de verwijdering koud als een Siberische winter. Zo kon het gebeuren dat deze mooie mensen die meer dan vijftien jaar in harmonie samen waren geweest en twee prachtige kinderen hadden gekregen niet meer verder wilden.

Achteraf vertelden ze allebei dat ze zich al lang van elkaar hadden teruggetrokken. Ze hadden irritaties onderdrukt en de lieve vrede bewaard. Wat ze eerst zo prettig vonden, ging tegenstaan. Zijn vrije geest, waar zij verliefd op was geworden, was onverantwoordelijkheid geworden. Haar zorgzaamheid ervoer hij nu als verstikkend. Al die tijd waren ze zich niet bewust van de steeds zwaardere last die hun lichaam droeg, en ook niet van hun eigen onvervulde behoeften, die ze op de ander hadden geprojecteerd.

Mijn eigen weg

Voor dit stel bleek het niet wenselijk om dieper te onderzoeken en de liefde weer leidend te laten zijn. Voor anderen wel. De eerste stap is bewust te worden van alle gevoelens die er zijn en ze fysiek waar te nemen. Dan een pas op de plaats. Daar kun je weer in contact komen met de liefde die er altijd was, soms hevig ondergesneeuwd.

Ik ken dit uit eigen ervaring. Ook ik had in een relatie van twintig jaar opgespaard en weggestopt, totdat ik ruimte gaf aan mijn lichaam. Schrikreacties, verkrampingen en een stokkende adem brachten me ertoe onder ogen te zien wat er werkelijk was. Ik onderzocht de matige kwaliteit van mijn gedachten. Die probeerden te rechtvaardigen waarom ik verdrietig en teleurgesteld was en maakten onderscheid tussen mij en de ander, alsof we los van elkaar stonden.

Ik stond stil en voelde wat er was. Ik luisterde naar de gedachten en nam ze waar zonder erin mee te gaan. Het waren gedachten van vroeger, uit de tijd dat ik ook had gevoeld wat ik nu voelde, terwijl ik zo mijn best deed. Het verdriet liet ik toe. En zonder verhalen om te geloven bleek verdriet liefde te zijn. Niet liefde voor mij of liefde voor hem. Dat was hetzelfde. Het was zonder leeftijd, zonder schuld en zonder behoeften. Toen vroeg ik me af: wat zou liefde doen?

Liefde bleek zuiver, waarachtig en eerlijk te zijn. Ik nam de signalen van mijn lichaam serieus en zorgde voor al mijn geraaktheden. Dat bracht nieuw gedrag. Zo ontdekte ik dat ik vanuit mijn conditionering gefocust was op ‘als de ander het maar goed heeft’. Als die ander veel opgebouwd trauma uit zijn jeugd met zich meedraagt, is dat nogal een taak. Het goed hebben ging bij hem namelijk niet vanzelf. Dus deed ik hard mijn best, wat niet of maar tijdelijk lukte. Dat bracht veel teleurstelling: ik deed zo mijn best en het werkte niet. Totdat ik doorkreeg dat ik zijn pijn niet kon verzachten. Die pijn lag in het verleden, en wij waren hier. Ik zag ook dat mijn handelen niet vrij was, maar een resultaat voor ogen had, waaraan hij moest voldoen.

Ik ontsloeg hem van de taak het voor mij goed te moeten doen en stopte met iets voor hem te willen oplossen. Ik ging me uitspreken, patronen blootleggen, vragen stellen. Soms was het zo pittig dat we er bijna de brui aan gaven. Maar de liefde gaf steeds antwoord: niets meer bedekken, maar laten zijn. We leerden allebei voor onszelf te zorgen, en zo kwam er ruimte om elkaar te steunen. Dat was fijn. Beetje bij beetje werd de zolder leger en waaide er een frisse wind. We kregen weer overzicht.

Een tijdlang wisten we niet welke vorm de liefde zou aannemen als alles mocht zijn wat het was, als niets meer anders hoefde te zijn en we voorbij onze conditioneringen gingen. Dat was spannend en bevrijdend. Gaandeweg ervoeren we dat liefde nooit mislukt.

Misschien openden zich nieuwe mogelijkheden juist omdat we aandurfden onder ogen te komen dat hoe we het hadden geleerd niet meer aansloot bij hoe het nu was. In ons geval kwamen we weer bij elkaar uit, vertrouwd en nieuw tegelijk.

Dat hoeft niet altijd zo te zijn. Als niets bedekt hoeft te worden met de mantel der liefde, wijst liefde de weg.